Na een lange reis stond Pip met haar koffers voor een poort van weelderige bamboe in hartje Delhi. Ze was uitgenodigd door haar Indiase vriend Josy, die haar zwaaiend tegemoetkwam. Via de zonovergoten tuin stapten ze zijn koele huis binnen.
Nieuwsgierig keek pip rond. Het plafond was indrukwekkend hoog, een soort gewelf en de ramen hadden gekleurd glas, zoals in een kerk. In de hoek stond een majestueuze pauw, het nationale dier van India.
Josy ging haar voor naar de keuken en Pip plofte neer aan de grote houten tafel. Josy’s vrouw kwam binnen met een dienblad vol lekkernijen en koude limonade in gekleurde glaasjes. Op het dienblad lag een geelrode slinger van bloemen.
‘Ik ben gek op bloemenkransen!’ riep Pip uitgelaten. ‘Wacht maar tot je de markt in Old Delhi ziet…’ glimlachte Josy geheimzinnig
Die middag namen ze een riksja naar de oude markt, die een stad op zichzelf was. Het rook er naar kruiden en overal zagen ze mannen sjouwen met zware spullen.
Ze dwaalden eindeloos door de smalle steegjes vol kleurrijke winkels. Pip vond de mooiste jurken, handbeschilderde eieren en vazen. Er was een wenteltrap naar een opslag vol met geprinte dozen. Josy moest rennen om haar bij te houden door de mensenmassa.
Toen ze bij een klein winkeltje vol met prachtige gedessineerde stoffen stond, ontdekte Pip een sjaal met handgetekende bloemen. ‘Deze moet Josy zien!’ Maar Josy was nergens te bekennen. Ineens kreeg Pip het benauwd. Gelukkig schoot de verkoopster haar te hulp; ze liep mee naar buiten en samen gingen ze op zoek naar haar vriend.
Na een tijdje kwamen ze uit bij een winkel met oranje en gele bloemenkransen. Vanachter het bloemengordijn verscheen Josy, breed lachend. ‘Ik wist dat je vroeg of laat hier zou aankomen.’
Pip glunderde, haar ogen glinsterden van opwinding. Ze had ineens heel veel zin in een vertrouwd kopje thee.
‘Namaste!’ lachte ze.
Liefs van Pip
